vrijdag 12 oktober 2018

'Hoger risico geestesziekte voor kinderen oudere vaders'

'Hoger risico geestesziekte voor kinderen oudere vaders'

Er zijn nieuwe aanwijzingen dat kinderen van oudere vaders een grotere kans lopen op geestesziekten, lage intelligentie, zelfmoordneigingen en drugsverslaving.
Naar schatting heeft 14 procent van de Nederlandse baby's een vader van 40 jaar of ouder. Foto thinkstock
advertentie
Dit blijkt uit een onderzoek dat vandaag in het tijdschrift Jama Psychiatry wordt gepubliceerd. Voor de Amerikaans-Zweedse studie werden de medische gegevens geanalyseerd van alle Zweedse kinderen, geboren tussen 1973 en 2001. In een persbericht schrijven de onderzoekers 'geschokt' te zijn door hun bevindingen.

Kinderen verwekt door een 45-jarige man hebben 25 keer zo veel kans op een bipolaire stoornis en 13 keer zo veel kans op adhd als kinderen van 24-jarige vaders. Het risico op autisme is 3,5 keer groter en de kans op zelfmoordneigingen en drugsverslaving zijn 2,5 keer groter. De effecten nemen toe naarmate de vader ouder is.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) schat dat 14 procent van de Nederlandse baby's een vader van 40 jaar of ouder heeft.

In 2012 liet IJslands onderzoek al zien dat oudere mannen meer dna-mutaties in hun zaadcellen hebben en die doorgeven aan hun kroost, dat daardoor mogelijk een grotere kans loopt schizofrenie of autisme te ontwikkelen. Mogelijk, want vrijwel iedereen draagt 150 tot 250 mutaties bij zich zonder daar hinder van te ondervinden.

Mogelijk consequenties voor het nageslacht
De auteurs van deze nieuwe studie, medische onderzoekers van het Zweedse Karolinska Instituut en psychologen van de Universiteit van Indiana (VS) gaan er ook vanuit dat zaadcellen van oudere mannen meer dna-foutjes kennen met mogelijk consequenties voor het nageslacht.

Om de uitkomst zo zuiver mogelijk te krijgen, werden in dit onderzoek voor het eerst ook verwanten met elkaar vergeleken, onder meer neven en nichten en kinderen uit één gezin. De uitkomsten werden gecorrigeerd voor de (hoge) opleiding en inkomenspositie van de meeste oudere vaders.

De moeder aller vragen

De Amerikaanse essayiste Rebecca Solnit is niet bang om de goegemeente tegen de haren in te strijken. Ze etaleert zichzelf zonder omhaal als feminist en neemt in haar essays met gretige brille de onwrikbaar geachte verhoudingen tussen vrouwen en mannen op de korrel. Soms krijgt ze de slappe lach. Zoals in het onbetaalbare Men Explain Things To Me (2008), een wereldberoemd geworden essay. Daarin verhaalt ze hoe een man zo van zijn eigen geklets vervuld is dat hij het niet door heeft dat hij haar uitvoerig haar eigen boek staat na te vertellen. Het verhaal werd wereldwijd herkend. De intussen ingeburgerde term mansplaining voor zulke kleinerende breedsprakigheid is niet van Solnit, maar ontsproot wel aan dit essay. Niet dat het hielp. Je hoeft maar in een restaurant om je heen te kijken en je ziet het gebeuren: een man die een verhaal afsteekt waar een braaf luisterende vrouw geen speld tussen krijgt.
Solnit schrijft twinkelend en opgewekt. Om haar punt te maken, put ze onbekommerd uit particuliere anekdotes. Behalve dat ze zo benadrukt dat de onderwerpen die ze aansnijdt alledaags zijn en iedereen aangaan, redt ze haar stukken op die manier van de grimmigheid. Het mooist lukte haar dat in haar vorige bundel, The Faraway Nearby (2013), via de kist abrikozen die ze na de dood van haar moeder thuisbezorgd krijgt. Geplukt van de boom waar ze als kind van die moeder niet van mocht eten. Gaandeweg het boek maakt ze ze in, geeft ze ze weg, eet ze ervan. Een deel laat ze vergaan. Al met al is het een prachtig beeld voor de essays in dat boek, waarmee ze cirkelt om de liefdeloosheid van haar moeder en gaandeweg vrede krijgt met de hardvochtigheid die haar kindertijd heeft bedorven.
In een terzijde verdedigt ze Scott Fitzgerald en zijn zinnen, ‘soepel als zijde’, tegen Ernest Hemingway en de ‘legoblokjes’ die hij schreef
Solnit poseert graag als optimist. Maar in haar nieuwste boek, De moeder aller vragen, zie je haar optimisme alleen als je met haar mee tegen de klippen op wandelt. (Ook letterlijk is ze een toegewijde wandelaar. Met Wanderlust (2000) als resultaat – een cultuurgeschiedenis via wandelaars door de eeuwen heen).
Porno
In dit nieuwe boek draaien ál haar essays uit op een betoog over geweld tegen vrouwen. Op porno als plezier in vrouwelijk verlies aan eigenwaarde. Op de seksistische woorden en daden waar alle vrouwen voor op hun hoede moeten zijn en waar ze ook nog eens de humor van moeten inzien. Op de ‘verkrachtingscultuur’ (hoezo ‘cultuur’?) die campussen en cafés tot mannelijk jachtterrein maakt, met vrouwen als om te leggen wild. Op beroemde mannen die hun positie misbruiken om zich aan vrouwen te vergrijpen en hun onbegrip voor de consequenties in de rechtszaal.
In De moeder aller vragen zoemt Solnit als een lastige vlieg om geweld tegen vrouwen. Ze steigert ertegen dat verkrachting wordt verkocht als een natuurwet. Ze weent om het zwijgen als geëigende vrouwelijke overlevingsstrategie. Ze ontrafelt hoe vrouwen als vanzelf hun mond houden over zulk geweld en hoe hun stilte de daders uit de wind houdt.
Dit is geen boek voor de lezer met slappe knieën. Horror is het niet, maar heftig is het wel. Solnit formuleert brutaal, scherp en fris van de lever. Soms draaft ze door en grijpt ze inderhaast naar clichés uit het feministische evangelie. Zo stelt ze dat moederschap leidt tot ‘minder liefde voor de rest van de wereld’. Ik ken te veel tegenvoorbeelden. En, als ik haar mantra van wederkerigheid mag toepassen: zou je dat ook van het vaderschap durven zeggen?
En net als de lezer moe gebeukt dreigt te worden, arriveert deze bij het essay 80 books no woman should read. Solnit schreef het in reactie op het tijdschrift Esquire en zijn lijst van de 80 best books every man should read. Ze bekijkt de lijst, vol oorlogsboeken en zonder vrouwen, en denkt er welgemoed het hare van. In een terzijde verdedigt ze Scott Fitzgerald en zijn zinnen, ‘soepel als zijde’, tegen Ernest Hemingway en de ‘legoblokjes’ die hij schreef.
En voort trekt ze, met een volgend essay, meanderend zoals al haar essays meanderen. Je maakt al lezend van alles mee. Soms denk je: wat moet dit, hoe zijn we hier in vredesnaam beland? En je leest verder.

zondag 7 oktober 2018

Why Is The Penis Shaped Like That?: And Other Reflections on Being Human

In het recent gepubliceerde boek 'Why Is The Penis Shaped Like That?: And Other Reflections on Being Human' van auteur Jesse Bering wordt de stelling ondersteund dat vrouwen die regelmatig onveilige seks hebben minder depressief en intelligenter zijn. Bij onveilige seks wordt bijvoorbeeld geen condoom gebruikt en kan het sperma zijn gang gaan.

Stoffen die humeur verbeteren
Sperma bevat naast angstverminderende elementen ook nog andere stoffen die het humeur verbeteren: cortisol verhoogt de genegenheid, estron verbetert het humeur, prolactine is een natuurlijk antidepressivum, melatonine bevordert de slaap en serotonine is het bekendste antidepressivum.

Op basis van deze onvolledige lijst van ingrediënten komen wetenschappers tot de hypothese dat vrouwen die onveilige seks hebben minder depressief zijn dan anderen.

Een onderzoek onder 293 universiteitsstudentes ondersteunt die hypothese: vrouwen die zonder condoom vrijen neigen minder naar depressie dan zowel vrouwen die vrijen met condoom als vrouwen die geen seks hebben.

Keerzijde
Het vrouwelijk lichaam maakt bovendien onderscheid tussen het zaad van een vaste partner en dat van andere mannen. Dat zorgt voor het minder aangename neveneffect dat vrouwen die regelmatig onveilige seks hebben met hun partner dieper in een depressie zakken wanneer die relatie tot een einde komt.

Ander onderzoek toont aan dat vrouwen die blootgesteld worden aan sperma beter presteren op kennistests en een hoger concentratievermogen hebben.

Deirdre McCloskey

Ze was ooit een anarchist, een atheïst, een linkse folkie en een man genaamd Donald. Vandaag is de Amerikaanse econome en transseksueel Deirdre McCloskey (74) een gelovige vrouw die de barricades beklimt om het neoliberalisme te verdedigen. De Vrije Universiteit Brussel kende haar onlangs een eredoctoraat toe voor haar revolutionaire bijdrage aan de economische wetenschappen. De kern van haar betoog: economen moeten meer kijken naar de mensen achter de cijfers, en we moeten stoppen met zeuren over het kapitalisme. ‘Het is een succesverhaal, of u dat nu wilt of niet.’

zaterdag 6 oktober 2018

Parool

Voeg een I toe aan LHBT: intersekse uit de onzichtbaarheid

 
Intersekse is een parapluterm voor diverse aangeboren condities waarbij de ontwikkeling van het chromosomale, gonadale (geslachtsklieren) of anatomische geslacht verschilt van de norm. Mensen met een intersekse-conditie identificeren zich meestal als man of vrouw. Artsen gebruiken sinds 2006 de term DSD (Disorders of Sex Development), maar steeds vaker wordt het woord Disorders vervangen door Differences. © Miriam van der Have
Het is tijd dat mannen en vrouwen met een intersekseconditie uit de onzichtbaarheid treden, schrijft Miriam van der Have. Aan LHTB moet dan ook de I worden toegevoegd, vindt Miriam van der Have, voorzitter van het Nederlands Netwerk Intersekse/DSD.
Wat is intersekse?

Intersekse is een parapluterm voor diverse aangeboren condities waarbij de ontwikkeling van het chromosomale, gonadale (geslachtsklieren) of anatomische geslacht verschilt van de norm. Mensen met een intersekse-conditie identificeren zich meestal als man of vrouw. Artsen gebruiken sinds 2006 de term DSD (Disorders of Sex Development), maar steeds vaker wordt het woord Disorders vervangen door Differences.
Het geboren worden met een intersekse-conditie werd lange tijd gezien als een ziekte. Het medisch protocol vereiste dat kinderen van wie de geslachtsanatomie varieerde, chirurgisch tot jongen of meisje werden gekneed en dat daar dan niet meer over werd gepraat. Het gevolg was dat niemand meer openlijk durfde te praten over intersekse. De mensen met een intersekseconditie waren onzichtbaar en stemloos.

Vorig jaar had de Canal Parade een primeur: op de boot van COC Nederland stonden twee mensen met een intersekseconditie. Hoewel internationaal de I al aan LHBT is toegevoegd, is de participatie van mensen met een intersekseconditie nog gering. Dat roept de vraag op of die I wel bij LHBT hoort.

1 op de 200
Ondanks alle toeschouwers was intersekse tijdens de Canal Parade volkomen onzichtbaar. Nu is dat geen nieuws, want op wat artikelen in tijdschriften en een enkele televisie-uitzending na zijn we al heel lang onzichtbaar. Toch heeft volgens een recente publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau één op de tweehonderd Nederlanders een intersekseconditie.

Als mensen met een intersekse-conditie zich in Nederland al verenigd hebben, dan is dat in patiëntenorganisaties, waar intersekse vaak wordt aangeduid met de medische naam DSD (Disorders of Sex Development). Rondvraag onder deze organisaties laat zien dat er weerstand bestaat tegen het toevoegen van een I aan LHBT. Het meest gehoorde argument daarbij is dat intersekse/DSD niets te maken heeft met seksuele voorkeur of genderidentiteit.

In Nederland bestaat (nog) geen vereniging voor mensen met een intersekseconditie die niet op medische gronden is gebaseerd. In het buitenland is dat anders. Ilga (International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association) heeft de I al in 2008 toegevoegd en ook de buitenlandse politiek is al veel verder dan Nederland.

Mensenrechtenprobleem
Zo liggen er stevige rapporten van de VN, de Raad van Europa en de Europese Commissie die intersekse vanuit een mensenrechtenperspectief benaderen. De medische behandeling die kinderen met een intersekseconditie krijgen, inclusief 'normaliserende' chirurgie, wordt in die rapporten uitermate kritisch beoordeeld en gezien als een schending van de mensenrechten. Kortom: internationaal wordt intersekse niet gezien als een medisch probleem, maar als een mensenrechtenprobleem.

Maar is het dan nodig met de Canal Parade mee te varen? Of meer algemeen: is het nodig een I toe te voegen aan LHBT? Het antwoord is: ja.

Seksuele voorkeur, genderidentiteit en sekse zijn verschillend, dat klopt. Maar alle drie hebben ze te maken met hoe de maatschappij denkt over mannen en vrouwen: word je verliefd op een man of een vrouw, voel je je een man of een vrouw, heb je het lichaam van een man of een vrouw? Anders dan vaak wordt gedacht, bestaan er voor man en vrouw geen houdbare absolute definities. Zolang dat nog niet breed is geaccepteerd door de maatschappij, hebben LHB, T en I nog veel onderwerpen waarop de groepen kunnen samenwerken.

Interfobie
Bij elke Canal Parade vragen mensen uit de LHBTI-doelgroep zich af waarom dat nodig is - doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Deze mensen voelen zich niet vertegenwoordigd door de mensen die op de boten staan. Cultuuranalytisch is dat te verklaren als geïnternaliseerde homofobie (of transfobie, of interfobie). Zelf vind ik het belangrijker om uit te leggen dat de Gay Pride er is voor de mensen die daar behoefte aan hebben en niet voor de mensen die daar, om wat voor reden ook, op tegen zijn.

Het gaat erom dat je deuren opent voor degenen die daar behoefte aan hebben. Of je door die deur gaat, is je eigen keuze. Het verleden heeft laten zien dat veel mensen die in eerste instantie tegen emancipatieprocessen waren, daar uiteindelijk zelf ook gebruik van hebben gemaakt. En het toevoegen van de I aan LHBT is voor veel mensen die intersekse niet als een ziekte zien, een belangrijk emancipatieproces.

Zwaait u zaterdag ook even naar mij? Ik sta weer op de boot van COC Nederland (boot 25).

What can Dick Swaab tell us about sex and the brain?

The Dutch neuroscientist is as celebrated as he is sneered at for his theories on brain development differing between men and women – and how sexuality is decided in the womb
 
 
Controversy delights Dick Swaab; brains delight him; complexity delights him, though I don't know if you'd get that from reading his book, We Are Our Brains, in which causal links are made quite casually, like a man doing a crossword with a pencil.
The Dutch neurologist is, after a 50-year career, a giant in the field. He is a professor of neurobiology at the University of Amsterdam. His directorship of the Dutch Institute for Brain Research yielded material that has been sent to 500 other research groups in 25 countries. He has propounded groundbreaking theories in his specialist area: the impact on brain development in the womb. Nonetheless, his book, despite directing itself squarely to the layperson, has been miles more successful than he thought, selling 100,000 copies ("the publishers say they knew it would be a hit. But at the start, they only printed 3,000 copies. So I know that is not true."). There are a number of lines you might file under, "Well, there's a curiosity" (for instance: "In professional violinists, the part of the cerebral cortex that directs the fingers of the left hand is five times as large as it is in people who don't play a stringed instrument"). And yet the real fireworks of the book are both more predictable and more profound: Swaab says hormones and chemical substances in utero affect the development of our sexual orientation or, put more simply, you have a gay brain by the time you are born. Male and female brains have "hundreds of differences", which explain all the ways in which men and women are different; "phobia, impulsiveness, ADHD and depression later in life" can be traced back to a mother's fearfulness during pregnancy, which activates her baby's "fear axis".
It has become fashionable to use the word "exhaustive" when what reviewers actually mean is "long", and this book has been thus described a number of times; in fact, it is not exhaustive. Differences between the sexes are stressed and constantly referred to, but not named or referenced. Very far-reaching statements are made – for instance, that children who are adopted between nought and two have average IQs of 100, while children adopted between two and six have average IQs of 80. But there's no footnote. Which children? From where? How many? Adopted by whom? For what reason? Is it possible that the ones who were adopted between two and six weren't chosen sooner because prospective parents could tell they had a learning difficulty?
And then there are Swaab's delightful manners, the smooth, twinkling charm of a man who has spent a life engaged in things that fascinate him, so that even though every answer is basically "sod off …", it is impossible not to like him. But it is not, ultimately, impossible to unshackle oneself from the confident steam train of his assertions.
"I had this problem," he reminisces. "When I found the first differences between male and female in the brain, I got attacked by the feministic movement. Because it was not allowed to have any differences, not in the brain. All differences in brain and behaviour were due to society." He says all this as though it's years since, and yet as a card-carrying feministic, I do not feel that our concerns have been totally addressed. For one, there is a circularity to the argument: a connection that is supposedly hard-wired, say that between a mother and a son, is illustrated by the fact that "a wounded soldier on a battlefield will always call for his mother, not his father". But this surely is social, because the mother will have almost certainly been the caregiver? We should at least wait until a generation has been raised equally by both parents, then mindlessly slaughter some, and then see who they call for, shouldn't we?
Hypotheses about raised testosterone in the womb due to maternal stress are offered on the basis that girls will need to be more like boys if they're to be born into a hostile environment, because they'll need to be more "robust and competitive". Yet, not long after, there's a joke about the long-discredited dominant mother theory (about homosexuality), in which Swaab says: "I made a habit over the years of asking the medical students I taught (250 at a time) which of them did not have a dominant mother. No one ever raised their hand." Sure, it's droll, but dominance, robustness, competitiveness, these are all the same essential trait – is he saying that women ultimately become men or is he saying that traits that are quintessentially male are also quintessentially female? If so, doesn't that de-sex them? Doesn't that make them "human"? He shrugs this off. "The problem often is that if scientists talk about something, it is on the basis of the population. Some women have very male types of behaviour. Some males have very feminine type of behaviour, but as a population they are different." This is the "standard-deviation" lecture – "you won't understand, because you're only a layperson." It didn't really address my question, which was, aren't you yourself assigning "maleness" and "femaleness" to traits that we actually all have? Rebecca Jordan-Young, author of Brainstorm: The Flaws in the Science of Sex Differences, argues that "Brain Organisation Theory is little more than an elaboration of longstanding folktales about antagonistic male and female essences".
Other old assumptions about men and women – for instance, that men are aroused by images of naked women, whereas women can't be aroused visually in the same way – are trotted out as fact. But there's new evidence that women respond very strongly to all kinds of erotic images, including copulating bonobos. This is based on measuring bloodflow to the vagina rather than an MRI scan. It makes this apparently "hard-wired" difference look like male wishful thinking. "Well," Swaab counters, "it's measuring bloodflow to the vagina. How did the blood flow to the vagina? By getting a message from the brain." "Then how do you account for the different results?" "Because the image is too small in the brain, you miss the small nuclei in the hypothalamus. It's a limitation of the imaging." (I was too polite to push this point. But that seems like a rum old game, publishing something as true, then recanting it so easily. You either believe that men and women respond differently or you don't.)
As much of a pain in the neck as a feministic can be, Swaab's most vocal opponents, 20 years ago, were gay men, after he identified a "gay brain". He makes the sound point, in the book and in person, that this was actually great for homosexuality – asserting sexual orientation to be innate ended all those painful discussions about whether to blame the parents, whether one could persuade or train or pray oneself out of being gay. "People can only live a happy life if they can live the way their brain has been programmed, and the state should accept that, and guarantee them the freedom to live that way so long as they don't harm others. You should have the freedom to live as a homosexual, a transsexual, a heterosexual, and be protected by the state," he says simply. And his discoveries about transsexuality had these direct political consequences; the science put sexuality on the human rights agenda, in Brussels and beyond. There are laws protecting gender reassignment that simply wouldn't exist without Swaab's findings.
And yet, his conclusions about the gay brain – specifically, that it has an enlarged biological clock (the suprachiasmatic nucleus) – have run into dispute. The American neuroscientist Simon LeVay remarked recently: "Dick Swaab's group wrote in 1990 that a small group called the suprachiasmatic nucleus was larger in gay men than in heterosexual men. The suprachiasmatic nucleus is involved in the regulation of circadian rhythms, not sex. Swaab's report has not been confirmed by other groups. If the finding is correct, it is unclear whether it is meaningful."
I put this to Swaab, that neither LeVay nor anyone else had managed to reproduce his findings. He sort of waved at me, as if I was making an annoying noise. "The important thing is that it's a marker for something that happened earlier in your brain development. Of course the clock is very much linked to sexual behaviour. There are graphs of students that don't have anything else to do, but if you look to their sexual behaviour, it goes up at 10, 11, 12. There is a very clear day/night correlation in sexual behaviour. There are more nightclubs than dayclubs."
"This is absolutely true," I say. Thinking: "Seriously? Results that can't be replicated, called into question anyway because they were mainly the brains of people who had died of Aids ('We controlled for that! Because many heterosexual people at that time were dying of Aids also. So we were able to see that the enlargement hadn't affected them'), we're going to take on trust because of when nightclubs are open?"
Other times, his benign dismissiveness can be quite bracing (talking about the Dutch Hunger study, I put it to him that the Leningrad Siege study, also conducted on babies born to women who were starving, in the same time period, in the same sorts of numbers, had findings that were basically opposite. "This is not a good study," he replies. "If this were a good study, I would have heard of it." He is endearingly mischievous – at one point, explaining that anorexia was down to the brain's way of coping with glucose, which is why anorexics often have problem births; he utterly rejected the idea that it was anything to do with cultural imagery. "Fashion selects girls with anorexia and bulimia, because they look better. But that doesn't mean that fashion is causing it. It is merely using it." On the subject of mortality, and of his own brain, he is absolutely wonderful. "Some time ago, I went through a difficult period in terms of health and made some notes for my colleagues, 'Mind this', 'Don't do that'. And then I survived. I wanted to keep an eye on this and that, because I know my own character and I wanted to know the relationships between structure and function."
What characteristics did you want to investigate? "I don't tell you. You will hear in good time." The Netherlands already has laws on euthanasia that astonished me – you can apply to die for long-term mental illnesses, schizophrenia, lifelong depression. But Swaab is keen to see some provision made for people who aren't ill, who are just old. "They have pains, they don't want to live any more. It was nice, but not any more. It doesn't fit into the law in the Netherlands that was made for diseases, not for the end of a life that has been accomplished." "This is a campaign of yours?" "Yes," he says, beaming. "This is my short-term solution, and my long-term solution."
Ultimately, though, I keep returning to Jordan-Young's critique: "I think we have to start asking different questions. It isn't possible to do experiments on the causes of gender or sexuality, and we can never really go backwards and separate 'biological' from 'social' elements – that is trying to divide what is actually indivisible. So, I think that we might do better to focus on understanding plasticity and ongoing development, and also to stop obsessing so much about sex differences." Many of Dick Swaab's boldest statements turn out, on closer examination, to be an MRI scan of chauvinism. It sounds interesting, but you can't read proper meaning into it; that part of the brain is too small.
To order We Are Our Brains: From the Womb to Alzheimer's by D F Swaab (Allen Lane), for £16.00 with free UK p&p, go to theguardian.com/bookshop or call 0330 333 6846.


… we have a small favour to ask. More people are reading the Guardian than ever, but advertising revenues across the media are falling fast. And unlike many news organisations, we haven’t put up a paywall – we want to keep our journalism as open as we can. So you can see why we need to ask for your help.
The Guardian is editorially independent. So we set our own agenda. Our journalism is free from commercial bias. It isn’t influenced by billionaire owners, politicians or shareholders. No one edits our Editor. No one steers our opinion. This means we can give a voice to the voiceless. It lets us challenge the powerful - and hold them to account. And at a time when factual, honest reporting is critical, it’s what sets us apart from so many others.
The Guardian’s long term sustainability relies on the support that we receive directly from our readers. And we would like to thank the hundreds of thousands who are helping to secure our future. But we cannot stop here. As more of you offer your ongoing support, we can keep investing in quality investigative journalism and analysis. We can remain a strong, progressive force that is open to all.
If everyone who reads our reporting, who likes it, helps to support it, our future would be much more secure. For as little as £1, you can support the Guardian – and it only takes a minute. Thank you.

dinsdag 5 december 2017

Rhianna Gralike


De Ochtendkus - Rhianna Gralike
29 okt 2015 10:48  • NCRV • 2 min
Zij werd geboren als Richard, maar bewaarde haar geheim als het goud in Fort Knox. Door kardinaal Eijk werd ze besprenkeld met een ijskoude douche. Maar toch vindt ze nog altijd warmte in haar geloof. Vanochtend worden we wakker gekust door: Rhianna Gralike.


Maxim Februari (voorheen Marjolijn)

In zijn nieuwe boek noemt hij man en paard. Een à twee op de tweeduizend geboren mannen en een à twee op de vierduizend geboren vrouwen lijdt aan ernstige genderdysforie. Zo ‘exotisch’ is transseksualiteit dus niet, concludeert Februari. Hij somt een lijstje do’s en don’ts op: de term ‘ombouwen’ is respectloos, en je zegt zeker geen ‘zhij’.

‘Ik had gisteren een nogal langdurig gesprek over geslachtsorganen met een journaliste die verder alleen naar leed viste. Heeft hij een penis, de journalisten raken er niet over uitgepraat. Dan verwijs ik ze naar wat in mijn boek staat: dat vraag je niet, dat is onbeleefd.’

SCP: Worden wie je bent (transgenders)

link

donderdag 12 oktober 2017

Vrouwelijke ejaculatie

scholar

A long list of sex acts just got banned in UK porn

bron

The Audiovisual Media Services Regulations 2014 requires that video-on-demand (VoD) online porn now adhere to the same guidelines laid out for DVD sex shop-type porn by the British Board of Film Censors (BBFC).
Seemingly arbitrarily deciding what is nice sex and what is not nice sex, the board's ruling on 'content that is not acceptable' (p.24) effectively bans the following acts from being depicted by British pornography producers:

zondag 2 april 2017

Zonder vrouwelijke vreugde is beschaving onmogelijk (Sloterdijk, Peter, VK)

De filosoof en denker des vaderlands in gesprek

Zonder vrouwelijke vreugde is beschaving onmogelijk, zegt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, die een boek schreef over het mysterie van het vrouwelijk orgasme. Scheidend Denker des Vaderlands Marli Huijer zocht Sloterdijk op aan de vooravond van de Maand van de Filosofie, die vandaag begint.
'Geen wetenschapper kan verklaren waarom er zoiets als een vrouwelijk orgasme is. Alle verklaringen die we kennen zijn problematisch.'

Ik ben net aangekomen in het huis van Peter Sloterdijk, de beroemde Duitse filosoof. Of eigenlijk in het huis van zijn vriendin, in een dorpje in de Provence. Sloterdijk heeft zojuist paddestoelen gebakken die hij na het interview in deeglapjes zal wikkelen en met eidooier zal bestrijken, om ze dan in de oven te zetten. Nu zitten we voor een open haard die niet brandt. Sloterdijks vriendin Bea, aan wie zijn nieuwe boek is opgedragen, is bij het gesprek aanwezig, net als een Nederlandse vriendin die bij hen logeert. Drie vrouwen in zijn nabijheid: het bevalt de filosoof, die elke vraag lachend beantwoordt, prima. 'Ik ben vandaag in een zeer goed humeur!'

NIET SUBSIDIABEL

Friedrich Schelling (1775-1854)

Duitse natuurfilosoof die na een studie theologie op 23-jarige leeftijd hoogleraar filosofie in Jena werd. Hij onderhield daar nauwe betrekkingen met Goethe, Schubert en de romantici van zijn tijd. Op zijn 22ste ontwierp hij een natuurfilosofie, waarin hij de natuur enerzijds opvatte als één groot organisme dat door de natuurwetenschap kan worden bestudeerd, en anderzijds als een oerbeginsel of oer-energie die aan alle onderscheidingen voorafgaat. De idee van het oer-ene, waarin geen onderscheid bestaat tussen subject en object, tussen man en vrouw, ontleende hij aan de Indiase filosofie. Schelling was op jonge leeftijd bevriend met Hegel, maar die vriendschap liep stuk na de publicatie van Hegels Fenomenologie van de geest.
De vrouwelijke seksualiteit is superieur aan de mannelijke: heel kort samengevat is dat het leitmotiv van Sloterdijks boek Het Schellingproject, dat nu in Nederlandse vertaling is verschenen. In Het Schellingproject vatten vijf wetenschappers het plan op een onderzoek te starten naar de relatie tussen de Duitse natuurfilosofie, met name die van Friedrich Schelling (1775-1854), en de vrouwelijke seksualiteit. Het gaat ze vooral om het mysterie van het vrouwelijke orgasme. Wat is er met de vrouwelijke seksualiteit gebeurd in de honderdduizenden jaren die ons scheiden van de eerste mensachtigen? Want, zoals een van de hoofdpersonen die 'Peer Sloterdijk' heet schrijft: 'Het is tamelijk zeker dat Eva gedurende de erotisch duistere tienduizenden jaren relatief weinig aangename gevoelens moet hebben gehad ten aanzien van het bezoek van de duistere dekker. Als het kort en zonder problemen verliep, mocht ze tevreden zijn.'

De eerste helft van het boek bestaat uit de lange e-mails die de wetenschappers elkaar sturen voor ze elkaar zullen treffen in Karlsruhe, waar ze over hun project zullen praten. De tweede helft begint met een verslag van die bijeenkomst, genotuleerd door Beatrice, een van de vrouwen van de groep, en vervolgt met nieuwe e-mails - de groep heeft dan van de wetenschapscommissie in Bonn te horen gekregen dat hun project niet subsidiabel is.

Marli Huijer (1955)

De hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam was de afgelopen twee jaar Denker des Vaderlands; deze maand wordt ze opgevolgd door René ten Bos. Huijer studeerde geneeskunde en filosofie en promoveerde op het werk van Foucault. Van 2002 tot 2005 bekleedde zij de Opzij-leerstoel Gender en Biomedische Wetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Eerder publiceerde zij boeken over tijdsordening (Ritme), over sociale ordening (Discipline) en over achterblijven na emigratie (Achterblijven). Deze week verschijnt Leve de publieksfilosofie! Belevenissen van een Denker des Vaderlands.
Al in de eerste mailwisseling sluiten de wetenschappers een zogeheten 'potlach-verdrag' met elkaar, geïnspireerd op 'een uiterst indrukwekkend eerlijkheidsritueel zoals dat is overgeleverd bij Amerikaanse prairie-indianen'. Een van de deelnemers mailt de anderen hoe de indianen, voor ze op oorlogspad gingen, in een kring rond het vuur gingen zitten om elkaar te vertellen over hun seksuele belevenissen vanaf het moment dat ze de vorige keer de strijdbijl begroeven. Alles wordt opgebiecht, ook buitenechtelijke escapades. Daarna zijn de mannen weer broeders en is er harmonie: 'Op het oorlogspad tellen alleen moed en samenwerking, en daarbij zou seksuele jaloezie alleen maar een storende, zelfs verachtelijke werking hebben.'

In de mails graven de wetenschappers vervolgens in hun geheugen en halen er seksuele herinneringen uit, die ze uitgebreid opdissen. Een recensent van Die Zeit noemde Het Schellingproject om die reden een pornografische roman en omschreef het boek als 'een projectie van mannelijke geilheid.' Volgens de uitgever is het meer een 'moderne briefroman over de aard van de mens', een 'autobiografische herinnering aan de seksuele bevrijding van de jaren zestig' én een 'erotische roman'.
Belangrijker dan onder welk genre je Het Schellingproject zou scharen, is de kern van het boek: vrouwen dragen de wereld, alles staat of valt met de vrouw, de man doet er niet toe. Opmerkelijke boodschap, aangezien de Duitse filosofie niet echt bekend staat om haar vrouwvriendelijkheid. Grote filosofen als Hegel, Schopenhauer en Nietzsche waren regelrechte vrouwenhaters.

U heeft sinds de jaren tachtig een grote hoeveelheid filosofieboeken geschreven. Waarom nu een roman?

'Voor mij is Het Schellingproject geen roman, maar een verslag. Het is wetenschapssatire. Ik heb mijn filosofie van meet af aan gemengd met parodie. In mijn werk is altijd een dubbele klank aanwezig. Dat heb ik gemeen met Nietzsche.
'Als Nietzsche argumenteert, vind ik hem niet indrukwekkend. Maar in zijn parodieën komt hij tot onvergelijkbare hoogte. Als Nietzsche de toon van de bijbel nabootst, de taal van andere disciplines gebruikt of de stijl van de Franse moralisten ontsluit voor het Duitse filosofische proza en integreert, in Morgenrood - wat een geweldig boek is dat -, of in Menselijk al te menselijk, of in De vrolijke wetenschap, bereikt hij een hoogtepunt in de Duitse taal. 'Dat mengen van de taal met parodistische elementen doe ik ook, op afstand van hem. Daarom heet Het Schellingproject in de originele versie 'een verslag'. Het boek wil de verschillende stemmen laten horen van vijf, later zes wetenschappers die bevangen door een autohypnotisch elan een groot onderzoekproject opzetten naar de evolutionaire betekenis van de vrouwelijke seksualiteit en het vrouwelijke orgasme. Ieder van hen heeft een andere grondtoon, en het verslag als geheel biedt het volledige perspectief.'
Hoe serieus moeten we de stelling van het boek nemen, dat de vrouwelijke seksualiteit en het vrouwelijke orgasme superieur zijn aan die van de man?

'Die stelling is het leitmotiv van het boek. Maar dat wilde ik niet meteen oppakken. Eerst vraag ik hoe zoiets als de dierlijke seksualiteit is ontstaan. Wat is er gebeurd toen eencellige dieren, de amoeben en de bacteriën, van de eencellige deling overgingen naar de tweedeling, naar de seksuele polariteit? Dat is een natuurhistorisch wonder. Daarom verschijnt de Duitse natuurfilosoof Schelling aan de horizon, want in de natuur zijn veel grootse dingen gebeurd. Wetenschappers gaan ervan uit dat het hele drama pas begint als bij de zoogdieren het ei in het lichaam van de vrouw wordt geplaatst.'

In Het Schellingproject schrijft Desiree, de vrouwelijke filosoof van het gezelschap, in een mail aan de anderen: 'Het fallische gedrag van de man is niets anders dan een manoeuvre om de vernedering als gevolg van het wegstoppen van het ei in de baarmoederlijke bijna-onbereikbaarheid te verdoezelen. Wat is een erectie anders dan een merkwaardige vlucht naar voren? Is ze niet slechts een aanvraag voor kortstondige toelating tot de ontrukte grootheid? Er is niets komischer dan een erectie. De fallus is op de keper beschouwd niet meer dan een overschatte paddenstoel.'
Geeft het naar binnen gaan van het ei vrouwen hun speciale macht?
Sloterdijk: 'Elk verstandig insect, elk reptiel, elke vogel en elke vis legt het ei buiten zichzelf. Maar het ongelooflijke imperialisme van het voortplantingsapparaat heeft het vrouwelijke lichaam met keizerlijke macht bekleed. En als het ei eenmaal binnen is, moet er zoiets als seks via geslachtsorganen plaatsvinden. 'Daar begint de goddelijke komedie van de genitaliën', schrijft Désiree. Dat is natuurlijk niet alleen een komedie, maar ook een beetje een inferno.'

Geeft het naar binnen gaan van het ei vrouwen hun speciale macht? Er wordt nu vaak gezegd dat mannen voor de voortplanting niet meer nodig zijn. Vrouwen bekleden bovendien maatschappelijk steeds vaker de hoogste posities. Maakt de verinnerlijking van het ei de man uiteindelijk overbodig?

Schaterlachend: 'Dat is verschrikkelijk!'

Peter Sloterdijk (1947)

De zoon van een Duitse moeder en een Nederlandse vader is een van de meest toonaangevende Duitse filosofen. Tot zijn pensioen was hij rector en hoogleraar filosofie en esthetica aan de Hochschule für Gestaltung in Karlsruhe. In 1983 kreeg hij grote bekendheid met zijn Kritiek van de cynische rede. Tientallen cultuurfilosofische boeken volgden. In het Nederlands verschenen onder meer Regels voor het mensenpark, Sferen (een trilogie) en Je moet je leven veranderen. Van 2002 tot 2012 was hij duo-gastheer van het Duitse televisieprogramma Das Philosophische Quartett. Onlangs verscheen zijn tweede literaire werk Het Schellingproject in Nederlandse vertaling.
Maar speelt het op de achtergrond mee?

'Het boek zelf verkondigt volgens mij een zeer vrouwvriendelijke stelling. Het is troubadourlyriek in een filosofische toonsoort. Geen wetenschapper kan verklaren waarom er zoiets als een vrouwelijk orgasme is. En dan zijn er ook nog eens vrouwen die nooit een orgasme hebben.

'Het orgasme is geen genetisch stabiele kwaliteit van de vrouw. Het heeft ook een culturele kant, die mentaal wordt teruggekoppeld. Dat is de stelling van Desiree. Het orgasme is volgens haar een luxe. Want wie heeft gezegd dat de mens plezier zou moeten beleven? Zelfs Sigmund Freud, die toch een verstandige man was, stelde: 'Dat de mens gelukkig is, is niet in het plan voorgeschreven.'
'En hoe vaak is er in de cultuurgeschiedenis niet gezegd dat vrouwen géén plezier dienen te hebben? Bepaalde tradities in de moslimcultuur stellen ook nu nog dat de erotiek van vrouwen moet worden vermeden. Alleen de man moet genieten, de vrouw moet zich rustig houden.'

Als ik opper dat je plezier evolutionair gezien ook als een functie van de overleving zou kunnen zien - gelukkig bestaat er zoiets als plezier in de seksualiteit, waarom zouden vrouwen anders nog een man toestaan seks met haar te hebben? - antwoordt Sloterdijk met een opmerking over Boccacio.

Volgens hem is Boccacio de oervader van het Europese feminisme. In zijn Decamerone schreef deze 14de-eeuwse Italiaanse dichter en geleerde honderd verhalen die worden verteld door zeven vrouwen en drie mannen. Ze zijn op de vlucht voor de pest. 'Boccacio's vertellingen, vooral die van de vrouwen, zijn het grote antidepressivum van de moderne Europese cultuur. Als vrouwen depressief worden, houdt alles op. Want aan het goede humeur van vrouwen hangt het hele gewicht van de wereld. Mannen kunnen nog de oorlog in en zich daar amuseren, maar de treurigheid van vrouwen draagt het risico in zich dat de wereld ten onder gaat.'
Dus als vrouwen geen plezier zouden beleven aan de seksualiteit, is het einde van de mensheid in zicht?

'We zouden een volgende stap moeten uitvinden. Technisch is het mogelijk om de voortplanting kunstmatig uit te voeren.'

Dat is een biologisch argument.

'Het sociaal-psychologische argument is dat zonder vrouwelijke vreugde beschaving onmogelijk is. Vrouwen moeten plezier hebben, dat wisten ze in de Middeleeuwen al. Het is de basis van de troubadourlyriek. De Hollanders hebben geluk gehad dat prins Claus geen koning was. Zijn treurigheid heeft niet tot de ondergang van het vaderland geleid. Dat zou wel gebeurd zijn als de koningin triest was geweest.'

Een van de wetenschappers in Het Schellingproject, 'Peer Sloterdijk' (die in alle opzichten op zijn schepper lijkt) verwerkt de teleurstelling over de afwijzing van het onderzoeksproject door een opera te schrijven over Tiresias, de Oudgriekse ziener. In een ruzie tussen Zeus en Hera over de vraag welk geslacht het grootste plezier beleeft aan het liefdesspel, kiest Tiresias de zijde van Zeus. Hij stelt dat de lust van de vrouw wel negen keer groter is dan die van de man. Hera is woest, omdat Tiresias daarmee het best bewaarde geheim van de vrouw verraadt. Voor straf neemt ze hem het licht uit de ogen.
Ik kon geen geslachtsverandering ondergaan om het boek beter te maken
Het is een mooi verhaal, maar het bewijst niet dat vrouwen seksueel superieur zijn. Tijdens het lezen van uw boek vroeg ik me vaak af: hoe weet u, als man en filosoof, hoe vrouwen seksualiteit ervaren?

'Ik heb veel gelezen, vooral literaire vertellingen over seksualiteit. De literatuur die vrouwen zelf over seksualiteit hebben geschreven is helaas ongelooflijk slecht. Alleen Het ritsloze nummer van Erica Jong vond ik indertijd een mooi boek. Maar voor mij is het niet zo belangrijk wie over het vrouwelijk plezier in de seksualiteit schrijft of spreekt. Hoofdzaak is dat het belangrijk is. Iets klopt omdat het evident is. Je moet je beroepen op de evidentie. De antropologie zou zeggen dat ik de methode van de participerende observatie heb gebruikt.'

Dat is nog steeds alleen observatie en niet ervaring, en in uw geval: de mannelijke observatie.

'Ja, eh... Billy Wilder heeft daarop het klassieke antwoord gegeven: Nobody is perfect. Ik kon geen geslachtsverandering ondergaan om het boek beter te maken.' Met een blik naar de vrouwen om hem heen: 'Toch?'

VERKRACHTING

Hier is toch geen sprake van plezier?
Aan het einde van het boek schrijft Beatrice in een mail die alleen aan Desiree is gericht, dat ze in haar huis seks heeft gehad met vier Oost-Europese verhuizers. Het duurt niet lang: 'Die kerels leken vertrouwen te hebben in mijn beschikbaarheid, en ik was niet in de stemming om ze voortijdig weg te sturen. Achteraf bezien begrijp ik niet waarom ik meedeed aan wat er nu gebeurde', schrijft ze. 'Meedoen is niet het juiste woord.'

Voor mij onderstreept de scène vooral dat de auteur geen idee heeft van de vrouwelijke seksualiteit. Hier is toch geen sprake van plezier? Het komt meer over als een verkrachtingsscène.

'Nee, nee, nee. Het is geen verkrachting.' Sloterdijk roept zijn vriendin erbij en vertelt haar dat 'onze lezeres hier' meent dat de gebeurtenis met de verhuizers een verkrachting was. 'Nee', zegt zijn vriendin. 'Nee, nee. Het was pure lust! Een gelegenheid.' Sloterdijk, lachend: 'Als ik het woord plezier nog één keer hoor, trek ik mijn revolver.' Het is een parafrase op een zin die vaak aan Göring wordt toegeschreven, alleen ging het toen om cultuur in plaats van plezier.
'Het is hoe dan ook nooit mijn bedoeling geweest een impressionistische roman te schrijven. Het gaat mij om het thema. Waarom heeft de natuur aan bepaalde levensvormen zulke hoge libidineuze premies gegeven? De meeste dieren copuleren maar één of twee keer per jaar. De mens heeft de luxe van een chronisch libido. Het is mysterieus, dat overschot aan seksuele energie. Waarom steekt de vrouw zoveel energie in de seksualiteit? Dat heb ik als het grootste raadsel naar voren gebracht. Je kunt proberen het te verklaren vanuit het plezier. Maar 'plezier' is een te licht woord voor zo'n zware zaak. Er zit in de seksualiteit ook een mysterie.

'Volgens Desiree is het werkelijke geheim dat de seksualiteit zinloos is geworden. Voor de voortplanting is deze niet echt meer nodig. Sterker nog, de vrouw kan pas ten volle van de seksualiteit genieten als de kinderen het huis uit zijn. Dan gaat ze er pas echt vol voor.'

dinsdag 20 september 2016

Skepsis (2010) : G spot

G-spotting en plasseks

Onderzoek naar het lekkerste plekje

door Dirk Koppenaal
De G-spot heeft dankzij triviaal onderzoek en anekdotes een plekje veroverd binnen de hedendaagse seksuologie. Is dat terecht of lijkt de G-spot meer op een uvo, een ‘unidentified vaginal object’?
De G-spot staat bekend als een zeer gevoelig plekje ter grootte van een vingertopje aan de voorkant van de vagina. Het zou bij ongeveer de helft van de vrouwen te vinden zijn. Prikkeling ervan kan resulteren in een spetterend vaginaal orgasme. De G-spot is niet genoemd naar de kreet die meestal op zo’n moment klinkt, maar naar de Duitse gynaecoloog Ernst Gräfenberg. Hij was in 1950 de eerste moderne wetenschapper die deze erogene zone beschreef. De G-spot zou een stukje van de vrouwelijke prostaat bevatten, die melkachtig vocht produceert dat zich in de plasbuis ophoopt en dat door spiercontracties tijdens het orgasme wordt weggespoten: het vrouwelijk ejaculaat.
Door de publicatie van een populair boek over seksualiteit kreeg het plekje vanaf 1981 veel aandacht. Een hoofdstuk met anekdotes van een aantal vrouwen over krachtige orgasmen en ejaculaties deed het goed bij het grote publiek en de G-spot was plots een begrip. Niet alleen vrouwenbladen, maar ook studieboeken en zelfs wetenschappelijke artikelen gingen er kritiekloos vanuit dat de G-spot bestond.
De mysteries rondom de vrouwelijke begeerte zijn al eeuwenlang een inspiratiebron voor dichters, minnaars en geleerden, die zonder gêne over hun bevindingen schreven. De urologe Joanna Beate Korda en haar collega’s zijn ervan overtuigd dat de G-spot en vrouwelijke ejaculatie bestaan en ze hebben onlangs een historisch overzicht over dit onderwerp geschreven. [15]
Oude geneugten
De geschiedenis begint bij het taoïsme, een Chinese filosofische en religieuze stroming die in de vierde eeuw voor Christus ontstond. Het taoïsme heeft zich parallel aan het confucianisme en het boeddhisme ontwikkeld en richt zich op leven in eenheid met de natuur. De natuur zou bestuurd worden door een universele kracht qi, die weer het resultaat is van de interactie tussen de kosmische krachten yin en yang. Yin en yang spelen ook een grote rol binnen de seksualiteit. Yin is de vrouwelijke kracht, waaraan een negatieve, slechte en passieve invloed wordt toegekend. Yang, de mannelijke kracht, is superieur en goed. Zowel yin als yang maken onderdeel uit van een universele energie, die zijn puurste vorm zou kennen op het moment van een orgasme. Yin wordt dan jing genoemd.
Mannen moesten voorzichtig zijn met ejaculeren, want op dat moment verliezen zij yang. Als een man teveel yang verloor zonder jing op te nemen, kon hij ziek worden en zelfs doodgaan. Het was beter voor de man om de jing van een vrouw op te nemen zonder zijn yang te verspillen; als hij dat twaalfmaal deed, bleef hij altijd jong en knap, en als het hem 93 keer lukte, wachtte hem het eeuwige leven. Het was dus de moeite waard om de begeerte van een vrouw te bestuderen. Deze bevindingen werden in de vierde eeuw na Christus door de taoïsten tot in detail beschreven. Korda heeft vertalingen van verschillende teksten gebruikt, en hoewel die soms in bloemrijke taal waren opgesteld, zijn er tal van aanwijzingen dat zowel de G-spot als de vrouwelijke ejaculatie werden beschreven.
India staat bekend om een reeks oude leerboeken over de liefde, die samen de Kamasastra worden genoemd. Het beroemdste boek, de Kamasutra, werd door Mallanaga Vatsyayana ergens tussen de tweede en vierde eeuw na Christus samengesteld op basis van honderden jaren oudere teksten, die allemaal verloren zijn gegaan. De Kamasutrabehandelt op didactische wijze vele onderwerpen op het gebied van de erotiek. Bij het grote publiek is de Kamasutravooral bekend om zijn de vele standjes, waaronder ‘schaar’, ‘hond’ en ‘slang’. Er zijn deskundigen die beweren dat ze veel genot geven omdat de man de G-spot zou stimuleren. Maar dat is moderne kennis, want volgens Korda wordt de G-spot in de Kamasutra niet genoemd.
De Kamasutra spreekt wel over vochtproductie bij vrouwen tijdens de bevruchting, maar ejaculatie, het spuiten van vloeistof tijdens het orgasme, wordt niet expliciet genoemd. In de twaalfde en dertiende eeuw verschenen meer Indiase werken die de vrouwelijke ejaculatie wel beschrijven, zoals de Ratirahasya en de Pancasayaka. In het oude India werden mannen en vrouwen op basis van hun uiterlijk in verschillende groepen verdeeld. Er werden vier groepen vrouwen onderscheiden en het ejaculaat van iedere groep had zijn eigen geur en smaak. De Pancasayaka zou ook een omschrijving van de G-spot geven.
De Perzische arts en filosoof Avicenna (Ibn Sina, 980–1037) was een van de beroemdste wetenschappers uit zijn tijd. Zijn bekendste boek, ‘Canon van de geneeskunde’ (Al-qanun fi al-tibb), was vanaf de late middeleeuwen het standaardwerk voor medici in het Midden-Oosten en Europa en werd zelfs tot 1650 in Leuven als universitair leerboek gebruikt. Avicenna beschrijft de vrouwelijke afscheiding, maar schrijft tegelijkertijd dat de vrouw niet ejaculeert zoals de man. Korda kon verder geen overtuigende antieke of middeleeuwse Arabische of Perzische beschrijvingen van het vrouwelijk ejaculaat vinden.
Antieke Griekse geleerden zoals Pythagoras (570–510 v. Chr.), Empedocles (490–430 v. Chr.), Hippocrates (460–377 v. Chr.) en Aristoteles (384–322 v. Chr.) bestudeerden de menselijke voorplanting in detail. In die tijd dacht men dat zowel mannen als vrouwen zaad produceerden dat het ei bevruchtte. Hippocrates geloofde bijvoorbeeld dat de kracht en het volume van het vrouwelijk zaad het geslacht van het kind bepaalde. Hoewel niet zeker is of Aristoteles de auteur van het tiende deel van Historia Animalium is, wordt er in dit boek niet alleen onmiskenbaar over ejaculatie maar ook over de G-spot geschreven. Volgens Claudius Galenus van Pergamum (129–200 n. Chr.) waren mannen en vrouwen replica’s waarbij de organen van de vrouw omgekeerd in het lichaam waren gekomen. Galenus’ beschrijvingen van de vrouwelijke ejaculaties passen binnen deze zienswijze en hij beschouwde ze als net zo noodzakelijk als die van de man.
De Nederlandse gynaecoloog Reinier de Graaf (1641–1673) was de eerste die echt wetenschappelijk inzicht gaf in de werking van de vrouwelijke organen en hij is de ontdekker van de later naar hem genoemde ‘Graafse follikels’. InTractatus de Virorum Organis Generationi Inservientibus beschreef De Graaf de vrouwelijke ejaculatie en een ‘één vinger breed wit doorschijnend weefsel rond de plasbuis’, dat hij in verband bracht met de mannelijke prostaat. De Graaf schrijft: ‘De functie van de prostaat is het genereren van een vloeibaar taai sap met een scherpe en zoute smaak dat vrouwen meer wellustig maakt en tijdens de coïtus hun seksuele delen op een aangename wijze smeert.’ De Graaf beschrijft dat het weefsel buisjes bevat die zo eindigen dat de prostaatvloeistof niet met urine mengt en rapporteert: ‘Tijdens de seksuele handeling zijn de lozingen zo overvloedig, dat het zelfs buiten de schaamdelen stroomt.’
De Graaf ontdekte de vrouwelijke prostaat ruim 200 jaar eerder dan Alexander Skene (1837–1900), waarnaar het orgaan nu (ten onrechte) vernoemd is. Skene legde nooit de relatie tussen het klierweefsel en seksualiteit. Aangezien De Graaf de eerste was die de vrouwelijke prostaat beschreef en een relatie legde tussen spot, lust en ejaculaat, zou de ‘G’ eigenlijk naar hem moeten verwijzen en zouden we kunnen spreken over de ‘Graafse spot’.

Gräfenberg

Dr. Ernst Gräfenberg werd geboren op 26 september 1881 in Adelebsen bij Göttingen, Duitsland. [22] Hij studeerde medicijnen in Göttingen en München, en slaagde cum laude op 10 maart 1905. Oorspronkelijk werkte hij als oogheelkundige, maar specialiseerde zich later als vrouwenarts aan de universiteit van Kiel. Hij toonde zich ook een zeer productieve onderzoeker. Na zijn specialisatie werkte hij aan de Universiteit van Berlijn, waar hij de eerste ovulatietest zou hebben ontworpen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als officier aan het oostfront, waar hij schotwonden behandelde en ook regelmatig Russische vrouwen hielp bevallen.
Terug van het front ontwierp hij een voorloper van het pessarium, de gräfenbergring, die gemaakt was van zilver en zijde en pas rond 1960 werd vervangen door plastic tegenhangers. Hoewel bekend was dat Gräfenberg joods was, dacht hij veilig te zijn voor het nazibewind, omdat veel van zijn patiënten getrouwd waren met nazi’s. In 1937 werd hij toch gearresteerd, maar na bemiddeling mocht hij in 1940 naar Californië emigreren. Later verhuisde hij naar New York en opende er een grote privékliniek. Rond 1953 bleek dat Gräfenberg aan de ziekte van Parkinson leed. Hij stierf op 28 oktober 1957.
In 1950 schreef Gräfenberg zijn befaamde artikel ‘The role of the urethra in female orgasm’. [9] Het is geen wetenschappelijke studie, maar een luchtig geschreven opiniestuk over frigiditeit, verschillende vormen van opwinding en erogene zones. Gräfenberg spreekt over ‘ontelbare erogene spots verspreid over het hele lichaam, van waaruit de seksuele bevrediging kan worden opgewekt’. Als voorbeelden noemt hij tepels, borsten en oorschelp.
Speciale aandacht geeft hij aan het gebiedje rond de plasbuis, dat door externe stimulatie maar ook door prikkeling vanuit het urinekanaal zelf, opzwelt en tot fijne momenten kan leiden. Gräfenberg wijst het weefsel aan als bron van een onbekende vloeistof, die niet uit de vagina, maar uit de plasbuis wordt gespoten. Hij verwijst niet naar de mannelijke prostaat en uit niets valt op te maken dat Gräfenberg vindt dat hij een revolutionaire ontdekking heeft gedaan, integendeel. Om aan te geven dat experimenteerders allang van het erotische gebied op de hoogte waren, wijst hij op haarspelden en andere objecten die met regelmaat in de blaas worden aangetroffen. Whipple schreef later dat Gräfenbergs omschrijving van de exacte locatie van het gevoeligste gedeelte van dit erogene gebied haar ervan overtuigde om de G-spot naar hem te vernoemen. [22]
De Gräfenberg-spot werd voor het eerst in 1981 genoemd door Perry en Whipple in een artikel over de behandeling van incontinentie. [18] De gangbare therapie voor dit soort plasproblemen was oefening van de bekkenbodemspieren, maar de auteurs ontdekten dat een groep van 47 vrouwen juist hele sterke spieren had. Aangezien het vochtverlies alleen tijdens het vrijen optrad, kregen Perry en Whipple het idee dat de Gräfenberg-spot ejaculaties veroorzaakte. Bij alle vrouwen werd inderdaad zo’n spot aangetroffen, wat overigens niet zo vreemd is als men bedenkt dat de auteurs later ook in een groep van 400 vrouwen bij allen de spot vonden.
De term ‘G-spot’ werd in 1981 voor het eerst gebruikt in het vermaarde artikel van Addiego, Whipple en nog vier collega’s [1], dat beschreef hoe elektrische stimulatie van dit plekje bij één vrouw één keer in een dieper orgasme met ejaculatie resulteerde. In 1982 verscheen het boek iThe G spot and other recent discoveries about human sexualitydoor de psychologen en seksuologen Ladas, Whipple en Perry. [16] Zij breken hierin een lans voor vrije seksualiteit van de vrouw en beschrijven anekdotes van vrouwen met spetterende orgasmen na stimulatie van de G-spot. Het grote publiek was meteen overtuigd en zonder veel onderzoek of kritiek was de G-spot een begrip geworden.

Goede zaken

Seks verkoopt en met de G-spot werden goede zaken gedaan. Er verschenen al spoedig erotische artikelen op de markt om de spot te stimuleren, waaronder de fancy ‘Galactic Finger G-Spot Vibrator’ en de ‘Curved G-Spot Rabbit Vibrator’. De G-spot was een bron voor nieuwe fantasieën. Bovendien kon men nu vrijelijk films met ‘ejaculaties’ vertonen in het Verenigd Koninkrijk en andere landen waar plasseks verboden was. Feministen waren er minder enthousiast over, want zij zagen de G-spot als een mannensmoes voor vaginale seks.
Wie op Amazon.com op ‘G-spot’ zoekt, vindt meer dan 400 boektitels. Ook in vrouwenmagazines en mannenbladen werd er veel over geschreven. Ik heb een aantal boeken gelezen, die samen te vatten zijn als: een hoop gepraat en veel anekdotes, maar weinig feiten. Zo beschrijft Hicks in Understanding the G-Spot and Female Sexuality hoe iedereen met één vinger in tien simpele stappen zijn vrouwelijke partner in zwijm kan laten vallen door haar een orgasme zonder weerga te laten beleven. [12] Gewoonlijk duurt de climax maar een paar seconden, maar dankzij de G-spot wordt het orgasme een ware uitputtingsslag die minuten en soms tientallen minuten aanhoudt. Hoewel ik de eerste druk las, meldt Hicks dat 92% van de lezers hem schreef dat ze succes hadden geboekt.
Niets lijkt te gek om de lustgevoelens te bevorderen: sommige privéklinieken bieden warempel G-spotvergrotingen aan. Bij deze ingreep wordt collageen of lichaamsvet in de vaginawand geïnjecteerd. Het prijskaartje verschilt: voor een injectie met hyalinezuur betaal je tussen de 500 en 1000 euro, de prijs van een prikje met lichaamsvet stijgt boven de 1000 euro. Het eventuele effect duurt maar een paar maanden, want daarna wordt het geïnjecteerde materiaal weer afgebroken. Volgens de plastisch chirurg Edwin Van Onselen, die volgens eigen zeggen tien patiënten per maand behandelt, zijn klanten en hun partners zeer tevreden na een dergelijke ingreep. [11]
Naast de G-spot zouden vrouwen nog meer vaginaal erogene zones hebben. De anterior fornix erogene (AFE) zone werd ontdekt door de Maleisische seksuoloog Chua Chee Ann tijdens onderzoek bij vrouwen die aan vaginale droogte leden. Deze zone, ook wel A-spot genoemd, ligt tussen de G-spot en de baarmoederhals en zou ook een deel van de prostaat zijn. Dagelijkse stimulatie van de spot zou vaginale droogte tegengaan en orgasmen zonder voorspel mogelijk maken. Volgens seksgoeroe David Shade is er ook nog een ‘diepe spot’, die recht tegenover de A-spot ligt, dus in het doodlopende stukje vagina net voorbij de cervixopening. De U-spot is een klein erectiel en gevoelig plekje vlak naast het plasgaatje.
Het lijkt vreemd dat mannen met hun veel grotere prostaat geen spot hebben. Volgens kenners is dat ook niet zo; de P-spot is een erogene zone aan de achterkant van de prostaat. De P-spot wordt soms ook A-spot genoemd naar de eerste letter van de gebruikelijke manier van benadering.

Geurineerde superejaculaties

Of iemand een man of een vrouw wordt, hangt af van het geslachtsbepalende gen op het Y-chromosoom, dat vanaf de zevende week van de zwangerschap een cascade aan gebeurtenissen in gang zet. Onder invloed hiervan, of juist door het uitblijven, ontwikkelen en differentiëren de geslachtsorganen zich. Identieke embryonale herkomst verklaart de overeenkomsten tussen organen en cellen bij mannen en vrouwen: bijvoorbeeld testikels en ovaria, penis en clitoris, scrotum en vulva, sertolicellen en granulosacellen. Ook voor de mannelijke prostaat geldt dat er een vrouwelijke tegenhanger is, namelijk de klieren rond de plasbuis, ook wel para-urethrale klieren of klieren van Skene genoemd. Naast embryonale herkomst zijn er andere bewijzen, zoals histologie (weefselleer) en biochemische eigenschappen, die aannemelijk maken dat er inderdaad een vrouwelijke prostaat is. [24]
De locatie van de G-spot is goed te herkennen als een sponsachtig plekje in de verder gladde vaginawand. Waarschijnlijk heeft iedere vrouw zo’n plekje, maar pas als het onderliggend weefsel op prikkeling reageert door op te zwellen, is het een G-spot. Hiermee wordt ook meteen een probleem bij de bestudering van de G-spot duidelijk. Lang niet iedere onderzoeker beschrijft duidelijk of men alleen naar het bobbelige plekje heeft gezocht, of ook het zwellen heeft gecontroleerd. En hoe kunnen de onderzoekers zo zeker weten dat alleen de G-spot werd gestimuleerd? Het is haast onmogelijk om dan geen andere plekken in en rondom de vagina te raken. Daarnaast zullen veel vrouwen onder zulke klinische omstandigheden niet echt erotisch op een stimulus reageren en hooguit aangeven dat ze ‘daar’ wat voelen.
Hoewel niet ieder vrouw met een G-spot altijd ejaculeert en niet iedere ejaculerende vrouw altijd een G-spot heeft, wordt het fenomeen er sinds de eerste publicaties van Perry en Whipple wel mee geassocieerd. [18] Niet ieder vochtverlies tijdens het orgasme is echter aan een ejaculatiemechanisme toe te schrijven; het coïtale incontinentiesymptoom bijvoorbeeld is het gevolg van zwakke of slecht functionerende bekkenbodemspieren, wat kan leiden tot urineverlies tijdens het vrijen. De vraag is dus reëel of de vrouwelijke ejaculatie meer is dan een vorm van ongecontroleerd urineverlies.
Het werkingsmechanisme lijkt simpel. G-spotstimulatie activeert de Skene-klieren, die buisjes bevatten die in en naast het plaskanaal uitmonden en deze vol laten stromen. Tijdens een orgasme trekken de bekkenbodemspieren samen en spuit het vocht eruit.
Maar zo eenvoudig is het niet. Bij de man is er een constructie met zaadblaasjes, prostaat en blaassluitspier die het zaad één kant uit perst. Bij de vrouw is er slechts een plasbuis met bovenaan bij de blaas een urineafsluiter, en die is altijd dicht behalve bij toiletbezoek. Lustvocht druppelt gewoon naar buiten als het in de plasbuis komt. Tijdens de climax zouden hooguit wat druppeltjes die toevallig in de plasbuis aanwezig waren, weggespoten kunnen worden. De hoeveelheid die serieuze onderzoekers meten, ligt echter rond de 10 tot 15 ml, dat zijn 200 tot 300 druppels en is nota bene 2 tot 3 maal het volume van de klieren zelf. Anekdotes en boeken beschrijven nog veel grotere volumes met als uitschieter Gary Schubach die hoeveelheden mat, die een geroutineerde Beierse bierdrinker tijdens de oktoberfeesten nog een natte broek zou bezorgen. [19]
Deze ‘superejaculaties’, ook bekend als ‘squirting’, bestaan uit urine en hebben niets met G-spot of Skene-klieren te maken. Volgens kenners is urine zout en ejaculaat zoet. Onderzoekers tonen met hun uiterst gevoelige biochemische testen ook sterk verdunde prostaatproducten aan. Een vrouwelijke ejaculatie is misschien mogelijk, maar zal bij meer dan een paar druppeltjes voornamelijk uit urine bestaan.

Een gynaecologische mythe?

Al kort na de ontdekking van de G-spot waren er onderzoekers die twijfelden aan het bestaan ervan. Alzate schreef bijvoorbeeld dat stimulatie van zowel de voorkant als de achterkant tot een vaginaal orgasme kon leiden en dat opgevangen ejaculatievocht gewoon urine was. [2] Degene die de knuppel in het hoederhok gooide, was Terence Hines, hoogleraar psychologie aan de Pale University en auteur van Pseudoscience and the Paranormal – geen vrouwenarts, uroloog of sekstherapeut, maar een scepticus. In een kort artikel besteedt Hines uitgebreid aandacht aan de door Ladas, Whipple en Perry opgevoerde bewijzen en het bestaansrecht van de G-spot. [13]
Hoeveel onderzoek was er eigenlijk uitgevoerd? Hines constateert dat behalve het artikel van Addiego alle andere publicaties slechts zelfgerapporteerde ervaringen bevatten. Pas in 1983, dus ná de wereldwijde acceptatie van de G-spot, verschijnt er nog een publicatie waarin twee gynaecologen na een korte training de G-spot bij vier van elf vrijwilligsters herkenden. [8] Hines vraagt zich ook af hoe sterk de bewijzen voor het bestaan van ejaculatie destijds waren. Naast de gebruikelijke anekdotes was er volgens hem maar weinig onderzoek gedaan. Hij verwijst naar een studentenonderzoek, waaruit bleek dat 40% van de ondervraagden soms een natte ervaring had tijdens het vrijen. Uit het onderzoek van Addiego met één vrijwilligster bleek in het ejaculaatvocht een enzym aanwezig te zijn dat ook kenmerkend is voor mannelijk prostaatvocht. In de andere bovengenoemde studie ejaculeerden zes(!) van de elf vrijwilligsters, maar bleek het opgevangen vocht niet te verschillen met urinemonsters die eerder waren afgenomen. [8]
De belangrijkste kritiek van Hines richt zich op het feit dat als de gevoelige G-spot zou bestaan, er ook veel zenuwen op die plek in de vagina aanwezig moeten zijn. De sensitiviteit van een lichaamsdeel wordt immers bepaald door de mate van aanwezigheid van gespecialiseerde zenuwuiteinden, zoals tast, druk of pijnsensoren. De zenuwen samen vormen een vlechtwerk of plexus om uiteindelijk bijeen te komen en signalen naar de hersenen te sturen. Hines kon geen onderzoek vinden dat een zenuwplexus voor de G-spot aantoonde. Naar aanleiding van zijn publicatie werden drie boze brieven gepubliceerd, maar geen enkele van zijn opponenten kon iets tegen dit argument inbrengen. Recent zijn hierover nog twee publicaties verschenen. Een studie bevestigt dat een zenuwplexus ontbreekt. [17] Anderen vinden wel iets meer zenuwuiteinden in de vaginawand op de plaats waar de G-spot zou kunnen liggen, maar de verschillen zijn klein en het onderzoek is gedaan in materiaal van vrouwen waarvan onbekend was of ze een G-spot hadden. [21] Bovendien blijkt dat operaties aan of in de buurt van de voorkant van de vagina, waarvan aangenomen mag worden dat ze zenuwen van en naar de vagina beschadigen, geen invloed hebben op het seksuele functioneren. [14]
Hines is onthutst door zijn bevindingen. Met nauwelijks meer dan anekdotes en met het totaal ontbreken van een mechanisme dat de erogeniteit van de G-spot kan verklaren, is een concept gelanceerd dat gemeengoed is geworden en door seksuologen tot officieel onderwijsmateriaal is bestempeld. Hines komt tot de conclusie de G-spot een gynaecologische ufo is: veel naar gezocht, veel over gediscussieerd, maar niet bewezen met objectieve methodes.

Genetisch bewijs?

De G-spotters waren niet onder de indruk van Hines’ argumenten. Men deed het af als ‘een slecht onderbouwd overzichtsartikel, geschreven door een auteur die bijna onbekend is in de academische geneeskunde en die nog nooit iets had gepubliceerd in dit vakgebied.’ [14] Had Hines het mis en zijn er intussen meer bewijzen?
Begin dit jaar werd de wereld opgeschrikt door krantenkoppen zoals ‘Het einde van de G-spot?’. De kranten verwezen naar een Engelse studie van het King’s College onder ruim 1800 één- of twee-eiige tweelingen. [6] Zij hadden een enquête ingevuld met 30 seksgerelateerde vragen, waaronder: ‘Gelooft u dat u een zogenaamde G-spot hebt, een klein gebied ter grootte van een kwartje op de voorkant van uw vagina, dat gevoelig is voor diepe druk?’. Aangezien variatie van lichaamseigenschappen altijd een mate van erfelijkheid laat zien, redeneerden de auteurs dat als de G-spot bestond, er minder verschillen in het voorkomen van de G-spot in eeneiige dan in twee-eiige tweelingen moest zijn. Ze konden echter geen patroon ontdekken: sommige deelneemsters zeiden wel een G-spot te hebben, terwijl hun identieke tweelingzus hem niet had.
De antwoorden van de tweelingen kwamen wel overeen met een andere grote studie: 56% van de deelneemsters gaf aan een G-spot te hebben. Jongere vrouwen zeiden vaker een G-spot te hebben dan ouderen, net zoals extraverte, seksgeïnteresseerde vrouwen hem vaker hadden dan introverte deelneemsters. Opleidingsniveau, emotionele intelligentie, het aantal partners en de frequentie van vrijen bleken niet van invloed. De auteurs merkten op dat het percentage deelneemsters met een G-spot tweemaal hoger lag dan het percentage vrouwen dat af en toe een vaginaal orgasme meemaakte. Ze vinden dat vreemd, want als de G-spot echt bestaat, zouden veel meer vrouwen af en toe een vaginaal orgasme moeten beleven.
Op de gynaecologenconferentie die een maand later in Parijs werd gehouden, haalden de aanwezigen hun neus op voor de tweelingenstudie. [22] In een nieuwsbericht van de Independent noemt de Franse uroloog en chirurg Pierre Foldes de conclusies compleet verkeerd ‘omdat ze enkel gebaseerd waren op genetische observaties’. ‘Het is duidelijk dat de vrouwelijke seksualiteit variabel is. Het is geen kwestie van ja of nee, of aan en uit. Het onderzoek laat vooral een gebrek aan respect zien voor wat vrouwen zeggen.’
Foldes en zijn collega de gynaecoloog Odile Buisson verwijzen liever naar de Italiaanse studie van Emmanuele Gravina, die met een ultrasone scan de voorkant van de vaginawand bestudeerde en zag dat deze dikker was bij vrouwen die volgens eigen zeggen vaginale orgasmen hadden. [10] Het anatomisch bewijs voor de G-spot was geleverd!
Solide is dit bewijs echter niet. De vaginawand bestaat onder meer uit spierweefsel en vrouwen die vaker een vaginaal orgasme hebben, zouden wel eens een gespierdere vagina kunnen hebben dan vrouwen die de ervaring missen. De onderzoekers hadden dit moeten controleren door tevens de achterkant van de vaginawand te meten. Ook Battaglia en collega’s vergaten deze controle, maar zij ontdekten wel dat de vaginale dikte correleerde met concentraties mannelijke hormonen en de periode tot de laatste gemeenschap. [3] Het anatomisch bewijs voor de G-spot is zeker niet geleverd!

Een freudiaans orgasme

De G-spot zou de schakelaar van het vaginaal orgasme zijn; maar wat is een vaginaal orgasme eigenlijk? Het concept werd in 1905 door Sigmund Freud bedacht. [7] Freud suggereerde dat er twee typen orgasmen zijn: een clitoraal orgasme, voor spelende meisjes, en een dieper, aangenamer orgasme dat door penetratie en zonder stimulatie van de clitoris bereikt moest worden. Een getrouwde vrouw, die haar echtgenoot lief had, moest tijdens de daad het fijne gevoel van haar clitoris naar haar vagina verplaatsen. De hypothese paste mooi in Freuds plaatje van de vrouw als een inferieur aanhangsel van de man, en haar daaruit voortvloeiende sociale en psychologische rol. Niet gehinderd door gebrek aan kennis en bewijs, schreven hij en zijn volgelingen een groot aantal artikelen over het onderwerp, zodat het vanzelf wetenschappelijk begon te klinken en zelfs de medische wereld erin begon te geloven.
De veronderstellingen van Freud werden lange tijd nauwelijks ter discussie gesteld en als het al gebeurde, dan was dat vanuit feministische of psychologische hoek. Rond 1953 kwam de kentering. De seksuoloog Alfred Kinsey vergeleek met wattenstaafjes de gevoeligheid van de clitoris en de vagina en concludeerde dat de clitoris de enige ‘locus’ van seksuele sensatie was. Na bestudering van duizenden orgasmen in honderden vrouwen bevestigde de gynaecoloog William Howell Masters in 1966 dat er slechts één orgasme was; deze begon bij de clitoris en verspreidde zich naar de vagina. Volgens Sherfey is de hele discussie zinloos; door de spiertrekkingen en de verhoogde bloeddoorstroming tijdens een orgasme kan er onmogelijk vastgesteld worden wat waar plaatsvindt. [20]
De moderne G-spotonderzoekers zeggen dat ze het freudiaanse concept hebben losgelaten en spreken over één orgasme, verkregen door externe, of interne stimulatie. [5] Maar de scheidslijn is vaag, want men maakt wel degelijk onderscheid tussen het fysiologische resultaat en de gevoelssensatie. Volgens Whipple bijvoorbeeld puilt bij een clitoraal gestimuleerd orgasme de vagina op het moment suprême iets naar buiten, terwijl bij een vaginaal geprikkeld orgasme de baarmoederwand tegen de vagina drukt. [14] Bovendien is het zo´n mond vol, “vaginaal gestimuleerd orgasme”, terwijl vaginaal orgasme toch net zo duidelijk klinkt? [10] Zo zijn de freudiaanse verzinsels terug van weggeweest.

Geëvalueerd

De eerste onderzoekers, die allemaal nauw samenwerkten, beschouwden de G-spot als een duidelijk lokaliseerbare plek in de vagina. Naarmate meer onderzoekers zich met het onderwerp gingen bemoeien, bleek dit idee onhoudbaar en een andere benadering deed zijn intrede.
De G-spot is geen anatomische of histologische eenheid, zoals een vagina, schaamlip of plasbuis. Volgens moderne onderzoekers is de G-spot een functionele erogene eenheid en aangenomen wordt dat klierweefsel, interne clitorisstructuren, vaginawand en zelfs een deel van de plasbuis er onderdeel van uitmaken: het clito-urethrovaginal (CUV) complex. [5,7,10,14] Volgens Jannini zou uit histologische studies blijken dat de klierweefsels bij iedere vrouw anders verdeeld zijn; bij sommige vrouwen ligt het weefsel opeengehoopt vlak onder de blaas, bij anderen over de hele lengte van de plasbuis, en bij weer anderen juist dieper. Ook voor de andere weefsels bestaan minder strakke anatomische coördinaten dan de boeken weergeven. Door al deze verschillen zou de G-spot van vrouw tot vrouw verschillen, wat alle controversies verklaart.
De clitoris is geen klein genotsknobbeltje, maar bestaat uit een complex van onder andere zwellichamen dat in het lichaam is verborgen. Wanneer een vrouw opgewonden raakt, zwelt de hele clitoris op en drukt tegen de vaginawand. Door nu stevig en op de juiste plek tegen de vaginawand te duwen, wordt indirect de clitoris gestimuleerd.
Heeft de G-spot dan niets mystieks meer? Vanuit anatomisch opzicht niet, maar biologische en psychologische factoren zorgen er samen voor dat ieder orgasme net weer even anders aanvoelt. Een orgasme via de externe clitoris lijkt snel en rechttoe rechtaan plaats te vinden, maar een orgasme via interne stimulatie lijkt van veel meer factoren afhankelijk te zijn, zoals voorlichting, concentratie, tijdsduur en penislengte. [4] Het uiteindelijke fysiologische resultaat zal dan misschien niet anders zijn, het is net als eten, mooi opgediend smaakt het lekkerder.
De vraag of de G-spot wel of niet bestaat is een academische. Relevanter is dat keer op keer blijkt dat op volstrekt onvoldoende wetenschappelijke basis maar met veel bombarie een enorm luchtkasteel wordt gebouwd. Het getuigt van weinig respect om het bestaan te claimen van iets wat nooit bewezen is en mensen onder druk zet.

Bronnen

1. Addiego F, Belzer EG, Comolli J, Moger W, Perry JD, Whipple B. 1981, Female ejaculation: a case study. J Sex Res, 17, pp 1-13.
2. Alzate H. 1985, Vaginal eroticism: a replication study. Arch Sex Behav., 14, pp 529-37.
3. Battaglia C, Nappi RE, Mancini F, Alvisi S, Del Forno S, Battaglia B, Venturoli S. 2010, 3-D volumetric and vascular analysis of the urethrovaginal space in young women with or without vaginal orgasm. J Sex Med., 7, pp 1445-1453.
4. Brody S, Weiss P. 2009, Vaginal Orgasm Is Associated with Vaginal (Not Clitoral) Sex Education, Focusing Mental Attention on Vaginal Sensations, Intercourse Duration, and a Preference for a Longer Penis. J. Sex Med., 7, pp 2774-2781.
5. Buisson O, Foldes P, Jannini E, Mimoun S. 2010, Coitus as Revealed by Ultrasound in One Volunteer Couple. J Sex Med., 7, pp 2750–2754.
6. Burri AV, Cherkas L, Spector TD. 2010, Genetic and environmental influences on self-reported G-spots in women: a twin study. J Sex Med., 7, pp1842-1852.
7. Colson MH. 2010, Female orgasm: Myths, facts and controversies. Sexologies, 19, pp 8-14.
8. Goldberg DC, Whipple B, Fishkin RE, Waxman H, Fink PJ, Weisberg M. 1983, The Grafenberg spot and female ejaculation: a review of initial hypotheses. J Sex Marital Ther., 9, pp 27-37.
9. Gräfenberg, E. 1950, The role of the urethra in female orgasm. Int. J. Sex., 3, pp145-148.
10. Gravina GL, Brandetti F, Martini P, Carosa E, Di Stasi SM, Morano S, Lenzi A, Jannini EA. 2008, Measurement of the thickness of the urethrovaginal space in women with or without vaginal orgasm. J Sex Med., 5, pp 610-618.
11. Het Nieuwsblad, 2006, Na de borstvergroting, de g-plekvergroting. www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?articleID=dmf01092006_019
12. Hicks DL, 2001, Understanding the G-Spot and Female Sexuality: A Simple 10-Step Guide for Unleashing the Ultimate in Female Ecstasy. Universal Publishers/uPublishers.com, USA.
13. Hines TM. 2001, The G-spot: A modern gynecologic myth. Am J Obstet Gynecol, 185, pp 359-362.
14. Jannini EA, Whipple B, Kingsberg SA, Buisson O, Foldès P, Vardi Y. 2010, Who’s afraid of the G-spot? J Sex Med. 7, pp 25-34.
15. Korda JB, Goldstein SW, Sommer F. 2010 , The History of Female Ejaculation. J Sex Med. 7, pp 65-75.
16. Ladas AK, Whipple B, Perry JD. 1982, The G spot and other recent discoveries about human sexuality. New York, Holt, Reinhart and Winston.
17. Pauls R, Mutema G, Segal J, Silva WA, Kleeman S, Dryfhout Ma V, Karram M. 2006, A prospective study examining the anatomic distribution of nerve density in the human vagina. J Sex Med. 2006, 3, pp 979-87.
18. Perry JD, Whipple B. 1981 Pelvic muscle strength of female ejaculators: Evidence in support of a new theory of orgasm. J Sex Res, 17, pp 22–39.
19. Schubach G. 2001, Urethral Expulsions During Sensual Arousal and Bladder Catheterization in Seven Human Females. www.ejhs.org/volume4/Schubach/ .
20. Sherfey MJ. 1974, Some biology of sexuality. J Sex Marital Ther., 1, pp 97-109.
21. Song YB, Hwang K, Kim DJ, Han SH. 2009, Innervation of vagina: microdissection and immunohistochemical study.J Sex Marital Ther., 35, pp 53.
22. The Independent, Sunday, 31 January 2010, Yes, Yes, Yes, No, Yes! In search of the G-spot.
23. Whipple B, 2000, Ernst Gräfenberg: From Berlin to New York. Scan. J. of Sex., 3, pp 43-49.
24. Zaviacic M, Zaviacic T, Ablin RJ, Breza J, Holoman K. 2001, The female prostate: history, functional morphology and sexology implications, Sexologies, 11 pp 38-49.